Dinsdag 24 juni

 

Ribaidiso - Monte de Gozo

35 km.

 

 

 

Dag 32

 

 

 

 

 

 


   

Door het eucalyptusbos naar de berg der vreugde

 

Gisteren heb ik al besloten dat dit mijn laatste echte loopdag moet worden. Weliswaar is het nog 40 kilometer naar Santiago, maar de 35 kilometer naar Monte de Gozo moeten haalbaar zijn. De laatste vijf kilometer kan ik dan overmorgen vroeg nog afleggen, zodat ik toch nog een hele dag in Santiago kan zijn. Dan kan ik een pensionkamer zoeken, voordat de grote stroom binnenkomt en heb ik bovendien goede kans ergens in de stad of bij de pelgrimsmis mijn oude vrienden weer terug te zien, die me nu een halve tot een hele dag voor zijn geraakt.

Het begin van de dag belooft nog niet veel. Als ik wakker word is iedereen al weg en is het al over zevenen. Dat wordt dus doorlopen! Het weer is nog veel somberder dan gisteren, maar voorlopig blijft het nog droog. Hoewel dit het drukst belopen gedeelte van de camino is, zie ik vanochtend op een paar Spanjaarden na geen enkele bekende. De hele dag loop ik alleen, maar ik heb het gevoel dat alle vrienden die ik in de loop van mijn wekenlange tocht heb gemaakt toch op een of andere manier bij me zijn. Dat geef me flink wat energie en voor ik het weet heb ik de eerste twintig kilometer al achter de rug. Daarna begint de eerste vermoeidheid zich te doen voelen en moet ik wat gas terug nemen. Maar ik ben vastbesloten Monte de Gozo vandaag te halen. Na Pedrouzo loop ik vrijwel constant door de eucalyptusbossen. In de buurt van het vliegveld van Santiago word ik ingehaald door Valentina en Olga uit Riga met hun poedel. Ze zijn hier als toerist, maar zijn inmiddels al behoorlijk aangestoken door het caminovirus en lopen daarom vandaag samen twintig kilometer om nog beter in de stemming te komen. Ze zijn ook vast van plan een keer echt de pelgrimstocht te ondernemen. Omdat ze nog een stuk frisser zijn dan ik kan ik ze niet bijhouden, maar even later blijken ze in het eerstvolgende herstellingsoord te zitten, zodat ik vandaag niet in mijn eentje hoef te lunchen. Ook Reinhardt, Michael en Gisela blijken dit restaurant te hebben uitgekozen voor de lunch.

 

 

in het eucalyptusbos

Kort na de lunch bereik ik het bruggetje bij Lavacolla. Daar moesten destijds alle pelgrims zich in de beek hun hele lichaam wassen alvorens de heilige stad te mogen betreden. De naam Lavacolla betekent dan ook zoiets als: ‘Was je edele delen’, kortom; ik vertaal het maar met Waspik. De klim over de laatste heuvels is puur afzien, maar ik probeer toch zo snel mogelijk te lopen want de lucht wordt steeds dreigender en het is niet meer de vraag of maar wanneer het zal gaan plenzen. Nog net op tijd bereik ik rond een uur of vier het vakantiekamp op de Monte de Gozo. Terwijl ik sta te wachten op een plaats in de herberg barst het los en ik heb maar nauwelijks de gelegenheid mijn rugzak in veiligheid te brengen. Het regent stevig door en het zal de rest van de dag ook niet meer droog worden.

De Monte de Gozo is de heuvel vanwaar de middeleeuwse pelgrims voor het eerst de torens van de kathedraal van Santiago konden zien. In een park op de heuvel staat dan ook een beeld van twee pelgrims, die verheugd het zicht op het einddoel begroeten. Ook nu nog kun je van hieruit de torens zien al moet je tegenwoordig goed kijken om ze tussen alle nieuwbouw te kunnen ontwaren. Vandaag zijn ze in ieder geval niet zichtbaar door de laaghangende bewolking. Ter gelegenheid van het bezoek van paus Johannes Paulus II is in de jaren negentig op de top van de heuvel een pompeus en aartslelijk monument geplaatst. De helling wordt inmiddels ingenomen door een reusachtig vakantiekamp, met een groot aantal grauwe betonnen barakken waarin een hotel, een refugio en gezinsverblijven zijn ondergebracht. In het midden ligt een groot plein met winkeltjes, restaurants en een cafetaria. Het is allemaal bijzonder grootschalig en doordat ook de bomen die hier zijn geplant nog heel klein zijn ziet het er allemaal nogal troosteloos uit.

De refugio is volgens mij de slechtst geleide van de hele camino. We worden ondergebracht in redelijk comfortabele achtpersoonskamers en het sanitair is niet beter of slechter dan in de meeste andere refugio’s, maar groepen krijgen hier voorrang en wie hier alleen is moet in de hal blijven staan tot alle groepen zijn ondergebracht. Pas daarna worden de loslopers dan verdeeld over de resterende bedden. Nu is het wel zo dat een pelgrim aanvaardt, maar Reinhardt en ik hebben niet zoveel geduld meer na 35 kilometer lopen en we gaan toch eens kijken bij de hotelreceptie, wat een hotelkamer kost. Dat blijkt fors tegen te vallen. Een simpele eenpersoonskamer kost hier 32 euro en dat willen we er geen van beide voor betalen en Reinhardt is geen type dat een kamer met een betrekkelijk onbekende wil delen. We verzinnen er dus iets anders op. Samen met Michael en Gisela besluiten we dat we op dit moment een vaste Duitse groep pelgrims worden. Ik werd toch al regelmatig voor een Duitser aangezien, dus nu verander ik maar even echt van nationaliteit. We melden ons nu als zodanig aan bij de hospitalero en we krijgen nu onmiddellijk een ruime kamer, die we vannacht slechts met één Franse fietser moeten delen (die helaas wel snurkt). Eten doen we die avond gezamenlijk in het immens grote en half lege zelfbedieningsrestaurant. Het lijkt net lunchtijd in de kantine van het ministerie waar ik werk, zij het dat die veel gezelliger is. Er zitten hier opvallend veel gezinnen met kinderen. Het is er net zo duur als in het voortreffelijke restaurant van Palas de Rei, maar ondanks de onaantrekkelijke ambiance valt de kwaliteit van het eten niet tegen. Omdat we hier pas na half negen kunnen eten (vroeg voor Spanjaarden, maar laat voor pelgrims) en we er met zijn vieren rustig de tijd voor nemen is iedereen al snel na de maaltijd in diepe rust.