Zaterdag 21 juni

 

Sarría - Portomarín

22 km.

 

 

 

Dag 29

 

 

 

 

 

 


   

Het stadje dat verhuisd werd

 

Ook vandaag durf ik na de problemen gisteren met mijn linkerkuit nog niet een al te grote afstand af te leggen. Maar de 22 kilometer naar Portomarín moeten haalbaar zijn. Ik heb weer lang en diep geslapen, zodat ik opnieuw niet al te vroeg weg ben, maar wel het voordeel heb voor mijn vertrek nog koffie te kunnen drinken. Kennelijk ben ik toch wel een echte ambtenaar, zonder koffie kom ik niet goed op gang! Gisteren schijnt het op sommige plaatsen 42 graden te zijn geweest en vandaag ziet het er niet naar uit dat het veel koeler gaat worden. Het lopen gaat al wel weer wat beter al moet ik vanochtend wel twee keer in een bar wat gaan drinken om mezelf te dwingen lang genoeg te rusten. Beide keren heb ik net als gisteren gezelschap van Neil, ook al lopen we niet samen. En beide keren komt vandaag ook Norman uit Quebec erbij zitten. Norman is er ondanks vele kilometers camino nog altijd niet in geslaagd zijn overgewicht kwijt te raken en is daardoor niet in staat om ons bij te houden. Maar hij slaagt er op een of andere wijze toch nog altijd in op tijd binnen te zijn om een bed te bemachtigen.

 

 

 Het landschap blijft mooi

 

Het landschap blijft aantrekkelijk en het pad schaduwrijk. Ook komt er weinig verandering in de bebouwing. Ook vandaag weer veel naamloze gehuchten met wrakke huisjes en een dikke laag koeienpoep in de straten. In veel tuinen staan zogenaamde horreos, dat zijn schuurtjes om maïs in te bewaren. Ze staan op poten om de muizen te weren en in de zijwanden zitten luchtgaten om te voorkomen dat de maïs in het natte klimaat (waar ik overigens totnogtoe niets van heb gemerkt) gaat schimmelen. Ze zijn heel kenmerkend voor het Galicische landschap, evenals de Bretons aandoende wegkruizen die je in vrijwel elk dorp aantreft. Opvallend is ook dat inmiddels in vrijwel elk gehucht, hoe klein ook, een frisdrankautomaat staat om de dorstige pelgrims te laven. Vier kilometer voor Portomarín scheur ik een teennagel, zodat ik in een schaduwrijk weiland moet pauzeren om mijn nagel bij te werken. De vlijmscherpe rand blijkt al een groot gat in mijn wandelsok te hebben gemaakt, zodat ik blij ben dat ik een extra paar sokken bij me heb. Twee Spaanse dames uit Murcia, die in Ponferrada zijn begonnen, hebben ook mijn ideale rustplekje ontdekt en zijn zo vriendelijk het fruit dat ze bij zich hebben met mij te delen. Vier kilometer voor Portomarin dreigt de batterij weer leeg te raken, maar daar ontmoet ik Carla met haar metgezel Mario, een vrolijke man van mijn leeftijd in een knalgeel sportbroekje, die constant luidkeels opera-aria's loopt te zingen. Dat werkt heel stimulerend en hij geeft mij daarmee net de energie die ik nodig heb om de laatste kilometers naar het einddoel van vandaag af te leggen.

 

 

 Het stuwmeer van Portomarín

 

Portomarín is een stuk interessanter dan de meeste plaatsen die ik tot dusver in Galicië ben gepasseerd. Het stadje ligt aan een stuwmeer in de rivier de Miño. In de jaren zestig moest vanwege de aanleg van dit meer het hele stadje een stuk heuvelopwaarts worden verplaatst. De steil omhoog lopende hoofdstraat met zijn overdekte winkelgalerijen, de bebouwing rondom het centrale plein en de kerken zijn steen voor steen afgebroken en hogerop weer opgebouwd. De grootste kerk is een merkwaardig vierkant bouwsel in een Portugees aandoende romaanse stijl. Met zijn kantelen op het dak lijkt het wel een fort. Aan de hoofdstraat bestel ik een pilsje en een bocadillo met chorizo, wat ik de afgelopen weken wel vaker heb gedaan voor de lunch. De pils smaakt prima, maar dat geldt niet voor de chorizo die vreselijk muf smaakt en ik eet mijn boterham dan ook niet op. Voorlopig lust ik geen chorizo meer en bestel voortaan tortilla's als lunch. Ook probeer ik deze middag eens de lokale cider. Elke bar heeft bij de toog twee pompen. Een voor bier en een voor cider. Het smaakt heerlijk en is heel dorstlessend, maar ook heel verraderlijk want je drinkt het weg als limonade.

 

 

Portomarín, Sint Nicolaaskerk

 

Direct achter de kerk ligt de plaatselijke refugio die is ondergebracht in een oud schoolgebouw. De accommodatie is redelijk, maar de stapelbedden in de beide slaapzalen staan wel erg dicht op elkaar. Een voordeel is wel dat direct achter de achterdeur van deze refugio een park ligt waar het met deze warmte goed toeven is. Na de warme maaltijd wissel ik in het parkje ervaringen uit met een Brabantse fietser die ook hier onderdak heeft gezocht. Over het algemeen ontstaan er niet zoveel contacten tussen lopers en fietsers. De lopers zien elkaar vaak elke avond weer terug, zodat tussen sommigen een hechte band ontstaat, maar de fietsers zien we maar een nacht en daarna zijn ze ons al weer ver voor.

Op de camino vallen verschillen tussen nationaliteit, leeftijd, sekse en sociale status vrijwel geheel weg en je bent vaak een grote familie. Door de warmte lukt het slapen weer niet best en ik ben behoorlijk jaloers op Kirstin, mijn buurvrouw, die zodra ze ligt meteen is vertrokken. Kirstin is overigens de jongste pelgrim die ik ken, die geheel alleen de tocht maakt. Ze is nog maar achttien jaar en komt uit Canterbury. Ze heeft net haar middelbare schoolopleiding afgemaakt en in september wil ze beginnen met haar studie aan de plaatselijke kunstacademie.