Donderdag 19 juni

 

O Cebreiro - Triacastela

23 km.

 

 

 

Dag 27

 

 

 

 

 

 


   

Een bedrieglijke idylle

 

Ook vandaag belooft het weer een heldere en warme dag te worden. Hoewel volgens de weerstatistieken en de verschillende verslagen die ik heb gelezen pelgrims in Galicië regen en mist te wachten staan, merk ik daar tijdens mijn pelgrimstocht vrij weinig van. In tegendeel, vandaag trakteert Sint Jacobus me op een aantal van de mooiste panorama's van de hele camino. Na een korte klim bereik ik de laatste hoge pas, de Alto de San Roque. Op de pas staat een standbeeld van een pelgrim die zich met behulp van zijn staf en met een wapperende mantel tegen storm en regen in worstelt. Van die regen merk ik nu niets maar er staat wel een straffe wind, die alles uitdroogt. Mijn waterverbruik is dan ook enorm en van alle bronnen wordt dankbaar gebruik gemaakt. Door de zon en de wind is er nauwelijks vocht in de lucht, alle contouren zijn messcherp en je kunt oneindig ver kijken over het mooie groene Galicische landschap.  

 

het beeld van de pelgrim op de Alto de San Roque

 

Na de Alto de Poio begint de lange afdaling uit het hooggebergte, die zeker vijftien kilometer zal duren. Het landschap is heel kleinschalig en de landweggetjes, waarover de camino voert zijn schaduwrijk en heel afwisselend. De vele holle wegen, waarlangs we geleid worden doen enigszins aan Zuid-Limburg denken. Soms moet je met behulp van stapstenen een voorde oversteken. Dorpen van betekenis passeer ik vandaag niet. De enige bebouwing zijn armoedige boerengehuchten met bouwvallige granieten huisjes. Ook de kerkjes zijn heel eenvoudig en vaak niet groter dan een boerenschuur. De stukken landbouwgrond, net als in Engeland van elkaar gescheiden door stenen muurtjes, zijn piepklein. Een Spaanse medepelgrim vertelt me dat het in Galicië de gewoonte was, dat een boer bij zijn overlijden het land opdeelde tussen al zijn kinderen. En in het streng Katholieke Galicië waren de gezinnen meestal groot! Het resultaat is dat de percelen nu te klein zijn om er landbouwmachines op te gebruiken, laat staan dat zij voldoende opbrengen voor een fatsoenlijk inkomen. Je vraagt je af hoe deze boeren er tot dusver in geslaagd zijn te overleven in deze tijd van door de Europese Unie afgedwongen schaalvergroting. Je ziet dan ook bijna alleen maar oude mensen in deze dorpjes, vaak kromgegroeid door het harde werken. Het is hier de gewoonte om elke avond de koeien uit de wei weer naar de stal te brengen en de volgende ochtend weer terug naar de wei. Als gevolg daarvan zijn alle wegen in de dorpen bedekt met een dikke laag koeienpoep. De lucht ervan is meestal nog wel te harden en in ieder geval beter dan de varkensgier die grote delen van het Brabantse platteland heeft verziekt, maar door de zwermen vliegen die het aantrekt ben ik blij met mijn vreemdelingenlegioenpet, die een groot deel van mijn hoofd bedekt.

 

 

landschap op weg naar Triacastela

 

Ik ga in een straf tempo naar beneden, maar na een kilometer of tien dalen merk ik dat ik iets te enthousiast ben geweest. Mijn knieën houden zich prima, mede dankzij mijn stok, maar mijn kuiten geven duidelijke signalen, dat het niet al te lang meer mag duren. Als ik tegen twaalven in het dorp Triacastela aankom, moet ik er dan ook voor vandaag definitief mee stoppen. Triascastela ligt in een bosrijk dal van een klein riviertje. De schaal en de aankleding van het landschap doet hier enigszins aan de Ardennen denken, zij het met een wat andere vegetatie. In ieder geval geeft deze lieflijke omgeving mij een goed gevoel en ik heb er dan ook geen probleem mee hier de rest van de dag door te brengen. De refugio is nog niet open, dus wacht ik bij de bar daar tegenover op mijn vrienden. De lokale pelgrimsherberg bestaat uit twee barakken in een weiland langs de beek met daarnaast nog een aparte slaapzaal waarin bij een te grote toevloed ook nog pelgrims kunnen worden ondergebracht. Uiteindelijk krijg ik een stapelbed in een vierpersoonskamer samen met drie middelbare dames, Carla uit Florence en Moira en Eileen uit Kaapstad.

Het is inmiddels bloedheet geworden. De temperatuur ligt flink boven de dertig graden en de middag wordt dan ook in gepast nietsdoen doorgebracht. Pas tegen een uur of vijf zijn Bob en ik voldoende gemotiveerd om een kijkje in het dorp te nemen. De kerk en het omliggende kerkhof zijn heel fotogeniek, maar helaas heb ik mijn fototoestel in mijn rugzak laten zitten en ik heb geen puf om terug naar de refugio te lopen om hem te halen. De kerkhoven zijn in Galicië heel apart. De kist van de overledene verdwijnt hier niet onder de grond, maar in een graftombe voor de hele familie boven de grond. Langs de muren van het kerkhof staan overal zwart-witte kastvormige bouwsels waarin de overledenen van een hele familie zijn bijgezet. Gezien het beperkte aantal achternamen op de graven werd er hier veel onderling getrouwd.

 

 

een typisch Galicisch dorpskerkje

 

Vanavond vind ik niemand om samen mee uit eten te gaan en de refugio heeft geen keuken zodat ik ook niet voor mezelf kan koken. De maaltijd wordt desondanks toch niet zo ongezellig als ik gevreesd heb. Tijdens de eerste gang krijg ik gezelschap van Christian, die ook even langs komt om wat te drinken. Daarna komt Carole nog langs, die me de rest van de maaltijd gezelschap houdt. Ik kan merken dat ze het als Frans-Canadese (hoe noem je dat Quebecqoise?) waardeert dat ik nu uitsluitend Frans met haar blijf praten, iets wat me tijdens de etappe die we samen liepen tussen Léon en San Martin de Camino minder goed afging. Ik heb lang aan haar Canadese accent moeten wennen, waardoor ik haar in het begin niet altijd kon verstaan. Terug in de refugio raak ik uitgebreid aan de praat met mijn kamergenote Carla. Ze blijkt paranormaal begaafd, en ze weet dingen over mezelf te vertellen, die ze gezien de korte tijd dat we elkaar kennen normaliter onmogelijk kan weten. Het is sowieso wel een avond van diepgaande gesprekken, want kort daarna zit ik alweer ervaringen uit te wisselen met een Braziliaan, die ik al enige malen vaker op de camino ben tegengekomen. Hij blijkt van Duitse afkomst te zijn en vertelt mij zijn hele levensverhaal, om te beginnen bij zijn grootouders, die samen met een aantal streekgenoten aan het begin van de 20e eeuw naar Brazilië zijn geëmigreerd. Zij hebben daar in de staat Parana twee compleet Duitse dorpen gesticht. Zelf is hij inmiddels met pensioen, na jaren lang buitenlanders, die handel wilden drijven met Braziliaanse partners te hebben begeleid op hun lange weg door de Braziliaanse overheidsbureaucratie. Daarna heb ik inmiddels vandaag wel weer genoeg meegemaakt, om voor dagen stof tot nadenken te hebben en zoek gauw mijn bed op, waar ik al snel als een blok in slaap val.