Zondag 15 juni

 

Astorga - El Acebo

37 km.

 

 

 

Dag 23

 

 

 

 

 


   

Langs het ijzeren kruis

 

Als we vertrekken hebben Bob en ik er nog geen vermoeden van dat we vandaag de langste etappe van de hele camino zullen lopen. Vooralsnog gaan we vandaag nog met zijn vieren weg. Vrijwel meteen nadat we Astorga uit zijn wordt het landschap al aantrekkelijk. We lopen door lieflijke groene heuvels en de bergketens ten noorden en ten westen van ons komen steeds dichter bij. Boven de bergen in het noorden onweert het maar waar wij lopen blijft het gelukkig droog. We hebben voor vandaag nog geen concrete afspraken gemaakt. We willen in ieder geval naar Rabanal del Camino, ongeveer 20 kilometer verder, aan de voet van de pas die over de Montes de Léon en langs het Cruz de Ferro voert. Onderweg stoppen we twee keer om gezamenlijk koffie te drinken. De eerste keer in Santa Catalina de Somoza, een schilderachtig dorpje, geheel in de stijl van de streek van roodachtige steen gebouwd. Ook dit dorp lijkt duidelijk te hebben geprofiteerd van de herleving van de pelgrimsroute. De tweede bar in El Ganso is ondergebracht in een schuur en heet de Cowboy Bar. Hij is dus ook helemaal in Wild Weststijl ingericht en de muziek hier is uiteraard ook country and western.

Kort voor Rabanal del Camino geven Asta en Carole te kennen een pauze te willen. Bob en ik voelen daar niets voor zo kort na de rustpauze in de cowboytent. Daarmee is definitief het moment gekomen dat we niet verder als groep samenlopen. Bob en ik lopen verder naar Rabanal en de dames blijven voorlopig achter. Als Bob en ik kort daarop Rabanal bereiken is het nog maar half twaalf en het is schitterend wandelweer, zonnig, maar niet te warm. Het zou jammer zijn niet van dit mooie weer te profiteren door nu een van de mooiste trajecten van de hele camino te lopen. Rabanal is een aantrekkelijk plaatsje dat sinds de wederopleving van de camino een ware wedergeboorte heeft ondergaan. Er zijn zelfs drie (kleine) refugio’s die er allemaal gezellig uitzien. Maar we willen eigenlijk allebei verder, in ieder geval naar Manjarin, net over de top. In het dorp is bar annex een winkeltje dat zelfs op deze zondagmorgen open is. We zorgen dus dat we voldoende proviand hebben om de rest van de dag door te komen en gaan vrijwel meteen verder, in de verwachting dat Asta en Carole hier vandaag wel zullen blijven.

 

 

op weg door de bloeiende heide

 

Kort na Rabanal begint de weg pas echt te klimmen door de bloeiende heide en de vergezichten worden steeds mooier. Na ongeveer anderhalf uur bereiken we het dorp Foncebadon net onder de top, waar Shirley MacLaine zo verschrikkelijk bang was voor loslopende honden. Vroeger was dit een belangrijke etappeplaats maar nu is het dorp vrijwel geheel verlaten en vrijwel alle huizen en de kerk zijn tot ruïnes vervallen. Een pand is al wel gerestaureerd en er is een gezellige bar in gevestigd. Met behulp van de meest uiteenlopende attributen heeft men geprobeerd er een Oud-Keltisch sfeertje te creëren. Het lijkt wel of ze hier de fee Morgane als binnenhuisarchitecte hebben aangetrokken. De bovenkanten van de ruwe stenen van de muur zijn overal bedekt met muntjes uit allerlei landen in de wereld. Dit zou volgens de kastelein geluk brengen. Een en ander doet wat geforceerd aan maar de sfeer die hier hangt is fantastisch en de (uiteraard Keltische) muziek die ze er draaien is geweldig. Of de muziek me inspiratie heeft gegeven of dat ik gedragen word door de Heilige Jacobus weet ik niet, maar na ons oponthoud in dit herstellingsoord ga ik als een speer naar boven, zelfs veel sneller dan Bob, die toch de beste klimmer van ons tweeën is. Vlak voor de top haal ik Marie Madeleine en Odile in, die vandaag kennelijk ook geweldig in vorm zijn.

 

 

het Cruz de Ferro

 

De pas is 1504 meter hoog en daarmee het hoogste punt van de hele camino. Daarom staat bij de top als bekroning van een reusachtige hoop stenen een boomstam van vijf meter hoog, waarop een ijzeren kruis is bevestigd. Conform de traditie nemen veel pelgrims een steen(tje) van huis mee en gooien of leggen dat op deze hoop, als symbool van de last die ze met zich meedragen en waarvan ze zich door hun pelgrimstocht kunnen bevrijden. Ik heb er bij vertrek niet aan gedacht om een kiezelsteen uit mijn tuin mee te nemen, daarom heb ik in het dal beneden een steen opgeraapt en die mee naar boven genomen om hem hier op de stapel te gooien. Niet dat ik effect verwacht van een dergelijke magische handeling, maar ik houd er wel van om een traditie van eeuwen voort te zetten. Marie Madeleine en Odile leggen de steen die ze van huis uit hebben meegenomen heel voorzichtig op de stapel neer.

Onder aan de steenhoop staat een eenzame auto met caravan langs de weg. George, de eigenaar is een Engelsman, die ooit zelf de camino heeft gelopen en nu na zijn pensioen enkele maanden per jaar met zijn caravan langs de camino trekt om pelgrims bij te staan. Voor zijn diensten vraagt hij een vrijwillige bijdrage om zijn werk voort te kunnen zetten. Veel hulp hebben we op dit moment niet nodig, maar de koffie die we alle vier van hem krijgen wordt zeer op prijs gesteld. Hij vertelt dat het niet zozeer in de bergen is waar hij de meeste pelgrims met problemen aantreft, maar op de meseta. Het gebeurt daar maar al te vaak, dat hij pelgrims aantreft die niet meer verder kunnen omdat ze bevangen zijn door de hitte. Hij geeft ze dan te drinken en brengt ze naar de dichtstbijzijnde refugio, waar ze indien nodig medische hulp kunnen krijgen.

 

 

Landschap bij het Cruz de Ferro

 

Tot dusver is het gelukkig rustig geweest. Behalve George en wij vieren, zijn er hier slechts een in gebed verzonken oude man bij een kapel langs de weg en een paar autotoeristen die zich onopvallend gedragen. Bob en ik kunnen dan ook rustig van elkaar een foto nemen terwijl we poseren bij de stam met het kruis, als bewijs dat we dit alvast gehaald hebben. Als we echter op het punt staan te vertrekken komt er een hele touringcar met ‘pilgrimwatchers’ aanzetten. Ze krioelen meteen met zijn allen over de steenhoop. Het sein voor ons om te maken dat we weg komen. Later vertelt een Deense medepelgrim ons dat hij eerder deze dag constant omringd was door toeristen en daarom maar gauw balend is weggegaan. Wat dat betreft hebben wij echt geluk gehad.

Een dik half uur later bereiken we het voormalige dorp Manjarin, dat eveneens tot een ruïne is vervallen. Het enige gebouw waar leven te bespeuren is, is de refugio van Tomás, de schilderachtigste refugio van de hele camino met een even schilderachtige hospitalero. Tomás is een voormalige zakenman uit Madrid. Na het lopen van de camino besloot hij zijn oude leven vaarwel te zeggen en zijn leven in dienst van de pelgrims te stellen. Hij zei zijn baan en zijn gezin, dat hem hierin niet kon volgen, gedag en begon hier hoog in de bergen een leven als kluizenaar. Hij knapte een vervallen schuur provisorisch op en maakte er allerlei aanbouwsels aan en richtte het in als refugio. Het geheel houdt voor mij het midden tussen de villa van Pippi Langkous en een gestrand piratenschip. Tomás, die met zijn lange haar en baard zo mee had kunnen spelen in ‘Jesus Christ Superstar’ kookt zelf voor zijn gasten, maar sanitaire voorzieningen zijn er nauwelijks en het is er ook niet echt schoon. Aangezien mijn ingewanden vandaag wat onrustig zijn voel ik er weinig voor om hier te blijven en ook Bob lijkt het niet erg te zien zitten. Wel drinken we hier nog wat, maken een praatje met deze en gene en halen bij Tomás nog een stempel in ons pelgrimspaspoort. Odile en Marie Madeleine zijn echt te moe om verder te gaan en besluiten om hier te blijven. De dag daarop vertelt Marie Madeleine me dat ze redelijk geslapen hebben, maar dat ze de volgende dag voortdurend de neiging hadden te inspecteren of ze hier geen ongedierte had opgelopen. Ook Asta en Carole blijken later tot hier te zijn doorgelopen en de overnachting was, in de woorden van Asta:“quite an experience”

 

 

De schilderachtige refugio van Manjarin

 

Voor Bob en ik komen er dus nog zeven kilometer bij vandaag als we beginnen aan de afdaling naar de vlakte van de Bierzo. De uitzichten blijven schitterend en het licht is ook nog gunstig zodat ik de ene foto na de andere maak. Overal zijn de bergen bedekt met heide en overal zie ik de gele bloemen van de brem. We moeten een poos langs de weg lopen, die met flinke bochten naar beneden loopt, maar veel verkeer is er nooit op deze bergweg. Kort voor El Acebo, moeten we een zijpad in dat over de kam van een bergrug loopt. Je hebt hier een geweldig uitzicht naar alle kanten en voor mijn gevoel kijk je wel honderd kilometers ver weg. Aan het einde van de bergkam ligt dan eindelijk opeens El Acebo aan onze voeten en langs een steile afdaling over een leisteenhelling, die na een regenbui flink glibberig moet zijn, bereiken we ons einddoel voor vandaag. El Acebo is een schilderachtig bergdorp. Het bestaat voornamelijk uit één hoofdstraat met ver overhangende balkons aan de huizen. Waren in Castilië tot dusver, zoals in het grootste deel van Spanje, alle huizen bedekt met rode dakpannen, hier zijn alle daken bedekt met leien.

 

eindelijk in El Acebo!

 

De plaatselijke refugio telt twintig bedden en er zijn hier nog wel twee bedden vrij. We belanden naast twee andere Australiërs, Max en Sue van Helden (inderdaad, Nederlandse voorouders!) uit Perth. De herberg ligt achter een restaurant, wat vanzelfsprekend betekent dat er geen kookgelegenheid is. Maar we waren toch al niet van plan zelf te koken. De was kan worden gedroogd in de tuin achter de refugio, waar je een werkelijk schitterend uitzicht op de omringende bergen. Lang kunnen we er echter niet van genieten, want aan het einde van de middag komt er een flinke regenbui. Als een haas wordt al het uitgehangen wasgoed binnengehaald. Gelukkig duurt de regen niet lang, zodat we onze spullen toch ’s avonds nog droog krijgen. Alleen mijn sokken zijn nog wat vochtig, maar door ze nu een uurtje aan te trekken terwijl ik op slippers loop worden ze toch droog genoeg om er morgen blaarloos op te kunnen lopen.