Woensdag 4 juni

 

Belorado - Atapuerca

32 km.

 

 

 

Dag 12

 

 

 

 

 

 


   

Van woeste bergen en een bed boven de varkensstal

 

Na een geïmproviseerd ontbijt van yoghurt, banaan en wat droog brood wacht de volgende etappe. Het eerste stuk heb ik weer veel last van mijn linkerschouder. Bij de eerste stop moet de inhoud van de rugzak dan ook anders worden verdeeld. Daarna gaat het een stuk beter. Het eerste deel van de route, dat bovendien vrijwel voortdurend langs de grote weg loopt, is vandaag niet erg spectaculair. Het wordt pas interessant na Villafranca Montes de Oca. Hier beginnen de dichtbegroeide Montes de Oca, een door middeleeuwse pelgrims extra gevreesd traject vanwege het moeilijk begaanbare terrein, het barre klimaat en de vele struikrovers. Inmiddels is er wel het nodige veranderd, maar nog steeds is het een eenzaam gebied, bedekt met dichte bossen. 

 

Montes de Oca

 

De koffie, die ik in Espinosa del Camino heb gedronken heeft me flink wat energie gegeven en in een voor mijn doen stevig tempo ga ik via een toch wel steile helling de heuvels in. Meestal ben ik niet zo’n geweldige klimmer. Of dat komt door de geringe mogelijkheden in Nederland om hiervoor te trainen weet ik niet, maar een feit is dat als ik in een groep naar boven ga, ik meestal na verloop van tijd ‘aan het elastiek kom te hangen’ zoals dat in  wielertermen heet. Op de vlakke stukken en bij de afdaling kost het me dan meestal weinig moeite om weer aansluiting te vinden. Maar vandaag ga ik als een speer, geïnspireerd door de dichte naald- en eikenbossen. Jammer dat de rust en de stilte enigszins wordt verstoord door het (overigens schaarse) verkeer over de nationale weg, die af en toe vrij dicht in de buurt van de camino loopt. Hier en daar doet het landschap wel wat aan de woestere delen van de Ardennen denken. Een dergelijk landschap ben ik tijdens mijn pelgrimstocht nog niet eerder tegen gekomen. Al lopende passeer ik een behoorlijk aantal pelgrims en voor ik het weet ben ik in San Juan de Ortega, een nederzetting rond een klooster, midden in de eenzaamheid.

 

San Juan de Ortega in zicht!

 

Ik heb er inmiddels al 25 kilometer opzitten, maar ik heb eigenlijk nog niet de behoefte om halt te houden. Het betrekkelijk koele weer met fraaie Hollandse luchten nodigt uit tot verder lopen. De refugio hier, waar al wat mensen zitten te wachten, geeft me niet echt een goede indruk. Hij lijkt me nogal primitief. Bovendien heb ik gehoord dat de legendarische gastvrije pastoor van deze plaats, die elke avond knoflooksoep voor de pelgrims kookte inmiddels is overleden. Ik stel mijn beslissing nog maar even uit en ga eerst eens de kloosterkerk bekijken, die in de steigers staat omdat hij met Europese gelden wordt gerestaureerd. Die is zeker de moeite waard, vooral de stenen sarcofaag van de heilige naar wie deze plaats is genoemd en het laat-middeleeuwse grafmonument daarboven.  San Juan de Ortega was een volgeling van Santo Domingo de la Calzada, die net als hij bruggen en wegen aanlegde en  een klooster annex pelgrimsherberg stichtte in deze onherbergzame streek.  

 

San Juan de Ortega, sarcofaag

 

Als ik uit de kerk kom tref ik tot mijn verrassing mijn reisgenoten Dirk en Nuala uit de trein naar Saint Jean Pied de Port aan, samen met Martin uit Best en Rosemary uit Nieuw Zeeland (niet het jonge meisje van twee dagen geleden maar een wat oudere vrouw). Na wat te hebben bijgepraat besluiten we allemaal verder te lopen naar Atapuerca, waar de eerstvolgende herberg is. Ook twee dames uit West Brabant volgen ons voorbeeld. Nog nooit heb ik op de camino zoveel Nederlanders bij elkaar gezien.

Over een plateau met mooie uitzichten bereiken de vier Nederlanders in ruim anderhalf uur de refugio van Atapuerca, waar Juan en Christian ons helaas moeten melden dat de refugio vol is. Wat nu? Doorlopen naar Burgos is geen optie en de dichtstbijzijnde refugio ligt een stuk opzij van de route en ligt bovendien in een gehucht waar niets te koop is. Bij een bar vraagt Martin of er hier misschien iemand kamers verhuurt aan pelgrims. Hij krijgt een adresje en met zijn vieren gaan we er op af. Voor 12 euro per persoon krijgen we onderdak in een vrijstaand huis. Een vijfde bed is al verhuurd aan Oliver, die ik in Belorado al heb ontmoet. Als we zijn gesetteld en al hebben betaald, blijkt pas hoe vies het huis eigenlijk is. Het is er een rotzooi en het huis lijkt in geen tijden schoongemaakt. Ook het beddengoed had er wel wat frisser uit kunnen zien.Twaalf euro blijkt een woekerprijs voor wat er werkelijk geboden wordt. Ik heb weliswaar het voordeel van een eigen kamer, maar hij blijkt boven een varkensstal te liggen, wat goed te ruiken is. Een van de eerst dingen die ik doe is dan ook het raam sluiten. Gelukkig is het vandaag vrij fris.

Kort daarop komen Dirk, Rosemary en Nuala langs die ook geen kamer hebben. We aarzelen geen moment. We besluiten ter plekke de woonkamer aan hen onder te verhuren, zodat ze daar hun matrassen neer kunnen leggen en ze tenminste fatsoenlijk kunnen douchen. De kosten voor logies zullen we naar evenredigheid verdelen. Nuala heeft geen matras, maar omdat ik toch een bed heb mag ze de mijne lenen. Martin en Oliver komen nog met bloedstollende verhalen over bedwantsen en andere enge beesten, maar daardoor laat ik me toch maar niet weerhouden onder de lakens te kruipen en de gelegenheid waar te nemen om een nacht snurkvrij te slapen. Mensen met smetvrees kunnen maar beter niet aan de camino beginnen. Als ze er niet tijdig van genezen zullen ze de tocht al in een vroeg stadium beëindigen of scheppen geld kwijt zijn.