Maandag 26 mei

 

Roncesvalles - Larrasoaina

26 km.

 

 

 

Dag 3

 

 

 

 

 

 

  

Te gast bij de burgemeester

 

Ik was al gewaarschuwd, maar het is toch wel even wennen. Al voor zes uur ’s ochtends, wanneer het in Spanje zelfs in juni nog donker is, beginnen de eerste pelgrims al te stommelen en hun bagage bij elkaar te zoeken en is het dringen geblazen bij de toiletten en wastafels. Ik besluit de grootste drukte aan mij voorbij te laten gaan en begin pas om half zeven met het ochtendritueel. Het efficiënt inpakken van de rugzak heb ik duidelijk nog niet onder de knie en ik heb vooral de eerste dagen vooral grote moeite om de slaapzak in het halfdonker fatsoenlijk opgerold en weer in de rugzak te krijgen. Om een uur of zeven zijn Christian en ik reisvaardig. Een ontbijt is hier op dit uur van de ochtend nog niet te krijgen, Het zonder ontbijt op pad gaan is trouwens iets waar ik nooit echt aan zal wennen. Het regent nog steeds en de poncho moet al meteen aan. Door het slechte weer is het nog vrij schemerig. Na een half uur bereiken we het eerste dorp, Burguete, en de bar hier zit vol ontbijtende pelgrims. Na een grote kop cafe con leche, een glas sinaasappelsap en twee broodjes vervolgen we gesterkt onze tocht.

Volgden we gisteren de grote weg, nu loop ik voor het eerst echt het traject van de camino dat soms ook wel over asfalt gaat, maar toch zoveel mogelijk onverharde of steenslagweggetjes volgt. Ik ben voor mijn gevoel dan ook nu pas echt met de camino begonnen. Nu we niet meer voortdurend stijgen loop ik, met name op onverharde paden, duidelijk te snel voor Christian. Als we halverwege Espinal worden ingehaald door Barbara en Marlene, in gezelschap van Christiane, een jonge Oostenrijkse uit het Salzburgerland, raadt Christian me aan met hen verder te lopen, omdat hun tempo meer het mijne is. In de loop van de dag wordt dit Duitstalig groepje nog verder uitgebreid met  Bettina, een free lance fotografe uit Berlijn en Hermann, een 57-jarige reus uit Beieren, tandarts in een dorpje aan de Chiemsee.

Het volgende dorp Espinal is evenals Burguete een vriendelijk Baskisch dorp met witte huizen en rood of groen geschilderde luiken (de Baskische nationale kleuren). Het is ook opvallend hoe schoon en netjes deze dorpen erbij liggen. Mede vanwege het landschap doet het hier soms wat Oostenrijks aan. Na Espinal houdt het zowaar op met regenen en kunnen de poncho’s uit. Hoewel we de zon voorlopig nog niet te zien krijgen, blijft het vandaag verder droog. De temperatuur is ook prettig om te wandelen. Wel is het pad moeilijk begaanbaar geworden door de hoeveelheid nattigheid van de afgelopen dagen. De klim naar de pas van Merzkiriz en de daaropvolgende twee afdalingen  vallen niet mee. Een keer glijd ik met mijn linkervoet weg in de modder en forceer daarbij een spier, waardoor de eerste dagen de holte van deze voet wat pijnlijk blijft. Voor de rest kan ik de anderen aardig bijhouden. De uitzichten vanaf dit pad zijn schitterend, al blijft het zicht vanwege het grauwe weer beperkt. Hier en daar doet het landschap me wat denken aan het Schwarzwald. Veel bomen zijn dicht met mos begroeid, waardoor je soms de indruk hebt in een sprookjesbos rond te lopen. Vanaf het pad zien we een havik een geslaagde aanval doen op een muis en er wordt ook een auerhaan gesignaleerd. 

 

  

De pas van Erro

 

De afdaling naar Zubiri is bijzonder zwaar. Over twee kilometer doen we bijna drie kwartier. De helling is steil en glibberig, je moet over verschillende rotsen klauteren en het valt niet mee om je evenwicht te bewaren. Ik ben dan ook dolblij met mijn bergstok die ik als pelgrimsstaf gebruik. In Zubiri vinden we, na 21 kilometer lopen, dat we onze lunch dik hebben verdiend. Er is hier een refugio, maar die is volgens onze gids niet best, en iedereen is ervoor om vijf kilometer verder te lopen naar Larrasoaina. Om daar te komen moeten we eerst over het terrein van een grote magnesietfabriek, eigenlijk het enige stuk vandaag dat wat minder leuk is om te lopen.

 

 

Larrasoana

 

Ook Larrasoana is een typisch Baskisch dorp. De refugio is ondergebracht in het voormalige gemeentehuis en de burgemeester, die ’s ochtends de belangen van de dorpsgemeenschap behartigt fungeert na de siësta als hospitalero. Hij is een vriendelijk en bezig baasje die zijn best doet om het alle pelgrims zoveel mogelijk naar de zin te maken. Hij weet een goede sfeer te creëren en dan vind je het niet zo erg om met zijn zessen in een klein kamertje op de grond te slapen met maar een minimaal looppad, waar ook nog de rugzakken moeten staan. Hoewel de sanitaire voorzieningen niet berekend zijn op zoveel overnachters, slaag ik erin een douche te nemen en wat kleren te wassen. Het is trouwens voor iedereen hier wasdag. Onder een groot zeil hangt een enorme hoeveelheid wasgoed te drogen. Ook krijgen de schoenen, die dik onder de modder zitten een grondige poetsbeurt. Dat is trouwens het eerste wat je meestal doet als je aankomt in een refugio, wandelschoenen en (meestal flink stinkende) sokken uit en slippers aan. Het is met name op hete dagen dan wel zaak je schoenen en sokken op een plaats neer te zetten waar ze flink uit kunnen luchten. Ze verspreiden ongetwijfeld een geur van heiligheid, maar voor gevoelige neuzen is de lucht echt niet te harden.

 

 

Een geur van heiligheid?

 

Als ik door de dorpsstraat slipper op zoek naar een winkel breekt zowaar de zon door. Mijn stemming kan niet meer kapot en luidkeels zing ik met Freddy Mercury “It’s a beautiful day, the sun is shining en no one 's gonna stop me now” Misschien voor een pelgrim liturgisch wat minder verantwoord, maar het geeft mijn stemming precies weer.

De refugio heeft geen keuken en gezamenlijk eten we in het plaatselijke winkeltje annex restaurant het pelgrimsmenu. Dit keer met een gemengde salade (sla, tomaten, ui, asperges, olijven en tonijn), frites met een paar dunne lapjes vlees en een bekertje yoghurt, opnieuw voor zeven euro. De ober doet zijn werk met evenveel zichtbaar plezier als de burgemeester, alleen zeurders laat hij wachten. An onze tafel wordt uiteraard Duits gesproken, maar mijn nog onbekende overbuurvrouw is aan haar accent duidelijk als Nederlandse te herkennen. Mijn eerste landgenoot op de camino is een Utrechtse verpleegster, met de naam Trix. Zij verblijft vandaag niet in de refugio maar in een hotelletje, omdat ze wegens een blessure een dag langer in het dorp moest blijven en in de refugio mag je maar een nacht blijven. Zij is haar camino in Taizé begonnen en is dus al een poos onderweg. Aan het einde van de maaltijd leert zij ons het lied van de camino en zingen we gezamenlijk:

Tous les matins nous prenons le chemin

Tous les matins nous allons plus loin

Jour après jour la route nous appelle

C’est le voix de Compostelle

 Ultreia, e sus eia, Deus adiuva nos  

 

 

En - miraculum - ook vandaag heb ik geen blaren!