Zondag 25 mei

 

Arnéguy - Roncesvalles

20 km.

 

 

Dag 2

 

 

 

 

 

   

Langs de route nationale naar boven

 

Als we 's ochtends vertrekken is het droog, maar bij het eerste Spaanse dorp Valcarlos, begint het al weer te regenen en het zal de hele verdere dag niet meer droog worden. Gelukkig zijn er momenten dat de regen wat minder heftig is en de bewolking zit vrij hoog zodat er toch nog iets van het Pyreneeënlandschap te genieten valt. We lopen over een Route National, maar omdat het vandaag zondag is, is er geen vrachtverkeer. Het natte weer en de Franse moederdag houdt ook het verdere autoverkeer beperkt, zodat we vrijwel ongestoord kunnen lopen. De kronkelige weg loopt voortdurend door dichte bossen. De bermen zijn begroeid met vingerhoedskruid en klokjesgentiaan. Christian loopt in een prettig tempo. Wel blijkt hij hartproblemen te hebben. Als het al te steil wordt, moet hij af en toe rusten om zijn hartslag niet te hoog te laten oplopen. Omdat ik op dit moment nog weinig klimervaring heb, komt me dat eigenlijk niet eens zo slecht uit.

Rond een uur of half twee bereiken we de pashoogte. Bij een vervallen kapel schuilen we even tegen de regen. Onder het afdak hebben we eindelijk de kans om de meegebrachte lunch op te eten. Terwijl we daar zo staan wordt de regen wat minder. Dat blijkt geen verbetering, want onmiddellijk wordt de regen gevolgd door een ijskoude mist. Ik krijg vandaag dan ook niet de kans het strijdtoneel waar ridder Roeland tegen de Basken (en niet tegen de Moren zoals het Chanson de Roland beweert!) is gesneuveld in ogenschouw te nemen. Ook de echo van zijn hoorn Olifant wordt vandaag overstemd door regen en wind. De laatste kilometer lopen we door de mistflarden. Rond half drie doemt eindelijk het kloostercomplex van Roncesvalles op en maak ik voor het eerst kennis met het fenomeen pelgrimsherberg oftewel refugio.

 

De Pyreneeën bij Roncesvalles

 

Omdat de refugio pas om vier uur opengaat, moeten we een poos wachten in een grote zaal van het klooster. Er heerst een dampige, maar gezellige sfeer. Er heeft zich inmiddels al een groot gezelschap verzameld. De hele groep van eergisteren uit Aix en Provence is er al. De meeste pelgrims hier zijn Fransen en Duitsers en ik maak kennis met enkele toekomstige wandelgenoten.  Zo zijn daar Marlene en Barbara, twee vriendinnen uit Paderborn, die net als ik van hun partner de gelegenheid hebben gekregen de tocht te lopen, Stefan, een 21-jarige student journalistiek uit Aken en Marie Madeleine en Odile, twee al wat oudere Françaises uit de buurt van Lyon, die ook al vanaf Le Puy lopen. Om vier uur worden de eersten van ons naar binnen geroepen. Rond een grote tafel moeten we onder leiding van een assertieve Spaanse dame een formulier invullen en de reden van onze tocht opgeven. Gelukkig mag je meerdere redenen opgeven, dus ik vul zowel cultureel, spiritueel, als religieus in. Daarna worden we gedirigeerd naar de slaapzaal. Het blijkt een immense zaal te zijn met een prachtig middeleeuws gewelf. Hier staan drie lange rijen stapelbedden, waarin ongeveer honderd pelgrims kunnen overnachten. Er is dus plaats genoeg voor iedereen. Iedereen krijgt een bed toegewezen. Ik beland in een bovenbed. De toiletten en de douches bevinden zich in de kelder. Ze zien er nu nog netjes uit, maar, zoals meestal zijn het te weinig voor het aantal pelgrims en er is meestal onvoldoende warm water, zodat laatkomers letterlijk een koude douche wacht. Maar in douchen heb ik vandaag niet zoveel zin, na al die regen en je kunt je spullen toch niet drogen. De hospitalera’s blijken uit Nederland te komen. Ze beheren de refugio efficiënt en het is er een stuk schoner en ordelijker dan ik uit verhalen van eerdere pelgrims heb opgemaakt. Volgens hen ben ik vandaag de enige Nederlander en ook gedurende de rest van de camino zal ik betrekkelijk weinig Nederlandse lopers tegenkomen. De meeste landgenoten die ik de komende weken zal spreken zijn fietsers. Tot mijn verwondering heb ik vandaag geen enkele blaar opgelopen. En dat terwijl het vrijwel bij elke oefentocht in Nederland raak was.

Om zes uur verzamelt iedereen zich voor de pelgrimsmis in de prachtige kerk van het klooster. Het koor heeft mooie gebrandschilderde ramen. Het wordt een pontificale mis met zeker vier heren. De liturgie spreekt mij wel aan en het is een geweldige belevenis met al deze mensen, met hetzelfde doel voor ogen als ik, hier te zitten. De inhoud van de preek gaat aan mij voorbij door de snelheid waarmee de voorgangers spreken. Maar het voornaamste is voor mij dat iedereen zich hier met zijn of haar eigen achtergrond, nationaliteit en leeftijd aangesproken kan voelen en we gezamenlijk kunnen bidden en de pelgrimszegen ontvangen.

Naast het klooster zijn twee restaurants. In de ene kun je vanaf zeven uur dineren, in de andere pas vanaf half negen. De eerste mikt dus duidelijk meer op Noord-Europese gasten en de andere meer op Zuid-Europeanen. Christian en ik kiezen dan ook voor de eerste. We belanden aan een tafel met twee Braziliaanse meisjes, een Nieuw-Zeelander van Chinese origine en een Oostenrijkse. Zij heet Claudia en is een alternatieve arts uit de buurt van Wenen. Voor ongeveer zeven euro krijgen we een zogenaamd ‘pelgrimsmenu’, een maaltijd die je niet moet onderschatten. Want voor dat geld krijg je drie gangen, waarbij je vaak ook nog uit verschillende mogelijkheden kunt kiezen. Vanavond is er slechts een mogelijkheid. Na een stevige gevulde soep volgt een overheerlijke forel met frites en ijs toe.

Om tien uur wordt iedereen geacht naar bed te gaan. In de meeste pelgrimsherbergen gaat de deur om tien uur dicht en gaat het licht uit (sommige zijn wat soepeler en hebben als sluitingstijd half elf of elf uur). Voor de meeste pelgrims is dat laat genoeg na een zware wandeldag, al zal het vooral voor de Spanjaarden, voor wie op dat moment de avond pas echt begint wel even wennen zijn. In zo’n grote slaapzaal als hier zijn er altijd wel wat snurkers, maar omdat de zaal zo hoog is kan het geluid goed wegkomen en ik heb er geen last van. Desondanks lukt het me ook vandaag niet om snel in slaap te komen. Maar veel kan me dat nu niet schelen. Op mijn rug liggend in mijn bovenbed lig ik stil te genieten van het uitzicht op het fraaie middeleeuwse gewelf boven mijn hoofd, dat door de schaarse nachtverlichting extra mooi uitkomt. Het regent buiten nog steeds en ik hoor het kletteren op het dak, maar ik lig hier letterlijk hoog en droog.